Categorieën
Psy

SCHOTSE SETTER (GORDON SETTER)

SCHOTSE SETTER (GORDON SETTER)

Het Engelse patroon is ingeschreven in het FCI-register onder nummer 6a (28. V.. 1963 r.)

De oorsprong van dit ras is ook onbekend. Ze was hiermee waarschijnlijk inheems in Schotland, dat aan het einde van de achttiende eeuw de kennel van Prince Gordon zou hebben bijgedragen aan het nivelleren van het type; vandaar de oorspronkelijke naam. Engelse auteurs speculeren, że do powstania jej oprócz psów rodzimych typu setera — przyczyniła się suka ,,Maddy”, czarna podpalana collie. Wydaje się to słuszne, ponieważ i w usposobieniu gordon odbiega od typu zwykłego wyżła angielskiego. Angielscy myśliwi, zwłaszcza zawodowi menerzy, wolą psa nie przywiązującego się wyłącznie do jednego pana, lecz spędzającego życie w kojcu. Dzięki temu po przeszkoleniu mogą one służyć każdemu, to je nabędzie lub wyprowadzi w pole. Gordon seter natomiast nie znosi hodowli kojcowej; integendeel, het vereist constant contact met mensen. Deze kwaliteit van hem heeft daar ongetwijfeld aan bijgedragen, dat hij in Engeland veel minder vertegenwoordigd is dan andere rassen van Setters of Pointers. Dezelfde functie zou echter moeten bijdragen aan het vergroten van de populariteit bij ons, waar jagers immers meestal maar één hond houden en deze niet in een hok verstoppen, maar geef toe aan de huiselijke gemeenschap.

Van alle Engelse aanwijzingen heeft de Gordon de meeste kenmerken van een veelzijdige hond. Prawdopodobnie dlatego, że wśród jego przodków na pewno odnalazłby się również posokowiec (bloedhond), którego cechy ujawniają się jeszcze nie raz dość wyraźnie u niektórych egzemplarzy tej rasy. Niestety pogłowie tej rasy w Polsce jest obecnie raczej słabe. Nasze psy przypominają raczej „czarnego irlandaniż właściwego szkota i dlatego wskazany byłby import doskonałego reproduktora albo — co znacznie tańsze — wysłanie polskich suk do pokrycia nim za granicą

Algemene indruk. Pies stylowy, budowy galopena, o szlachetnej sylwetce, lijkt op de bouw van een sterke jager (jachtpaard - ed. Of.), harmonieus gebouwd en goed uitgebalanceerd. Krachtig, redelijk kort, met een gelijkmatige rug. De staart is vrij kort. Het hoofd is vrij lang met duidelijke lijnen en een intelligente uitdrukking. Lange jas, vlak met sterke kleuren.

Hoofd. Liever diep dan breed in het hersengedeelte, maar duidelijk breder dan de snuit, gebogen, de breedste tussen de oren. De voorrand is duidelijk gemarkeerd, de afstand tussen haar en de nek is iets groter, dan het van de neus te scheiden. Een slank hoofd onder en naast de ogen, en wangen zo smal als haar slankheid toelaat. De snuit is vrij lang, met bijna parallelle lijnen van het voorhoofd en de neusbrug, van boven en van opzij gezien, niet puntig. Lippen niet hangend, maar goed aangegeven. De neus is groot en breed, zwart. Neusgaten open. De diepte van de snuit is iets minder dan de lengte. De ogen zijn vrij groot, niet te diep, noch te convex, lichtjes bedekt met wenkbrauwen, slimheid en intelligentie uitdrukken. Donker bruin, glimmend. Oren laag aangezet en dicht bij het hoofd, middelgroot, delicaat, met een dunne huid. Gelijke snuit, Ondervoorbeet of onderbeet onaanvaardbaar.

Nek. Lang, slank, gebogen aan het hoofd, geen spoor van keelhuid.

Torso. Matig lang, diep in het borstbeen. Achterste ribben overlappen elkaar ver. Borst niet te breed. Lendenen breed en licht gewelfd.