Categorieën
Psy

SEALYHAM TERIER

SEALYHAM TERIER

Wzorzec wpisany do rejestru FCI pod liczbą 74b (19. VIII. 1970 r.)

Kynologia angielska zalicza tę rasę do młodszych. Sealyham terier jest dalszym krewniakiem foksteriera. Ze względu na bardzo duże walory myśliwskie używany jest do polowania na lisy i borsuki. Poza tym jest bystry i spostrzegawczy, obdarzony dobrym węchem jako tropowiec i posokowiec. Ponieważ psy te pracują jako norowce, hodowcy powinni je tak selekcjonować, aby nie przekraczały wzrostu podanego we wzorcu, anders zouden ze de kwaliteiten verliezen die nodig zijn bij het werken in holen. Werkkleding die beschermt tegen weersomstandigheden is even belangrijk. Ook al zijn het woelmuizen, moet volhardend zijn op de vlucht, zodat ze ook als wild zwijn of jager kunnen worden ingezet; het zijn ook eersteklas rattenvangers. De Sealyham Terrier is een erg fijne huisgenoot. Toegegeven, hij toont niet zoveel temperament als de foxterriër, maar dankzij zijn grote moed en extreem sterke kaken kan hij desnoods een dappere verdediger zijn.

Przed wojną psy tej rasy znalazły w Polsce kilku zamiłowanych hodowców. Dzięki swym walorom zasługiwałyby na ponowne rozpowszechnienie zarówno wśród myśliwych jak i w mieście w charakterze psów pokojowych, do czego kwalifikują je zrównoważone usposobienie oraz zalety stróża i obrońcy. Ostatnio pojawiły się w Polsce nieliczne, lecz doskonałe okazy.

Algemene indruk. Pies aktywny o swobodnych ruchach —krótkonogi.

Hoofd. W części mózgowiowej lekko wysklepiona, wijd tussen de oren. Szczęki mocne i długie, graniaste o dużej sile uchwytu. Tanden gelijk en breed, sterk, hoektanden overlappen elkaar goed, lang in verhouding tot de grootte van de hond. Zwarte neus. Donkere ogen, goed gezeten, ronde, middelgroot. Middelgrote oren, licht afgerond aan het einde, turbinate lob naast de wangen.

Nek. Best lang, ruw en gespierd. Stevig vastgemaakt tussen de schuine schouderbladen.

Torso. Middelgroot, zeer plooibaar. Borst breed en diep, laag aangezet tussen de ledematen. Gelijke rand.

Voorste ledematen. Kort, sterk en eenvoudig.

Achterhand. De rug is uitzonderlijk sterk voor het formaat van de hond. Dijen gespierd en goed gehoekt bij de knie. Sterke hakken, goed gehoekt en niet naar binnen of naar buiten gedraaid, noch buiten. Ronde poten, de zogenoemde. katje, met een sterke zool.

Staart. Opgericht.

Gewaad. Lang, hard en stijf.

Zalf. Meestal volledig wit of lichtgeel, bruin of grijs (dassen) vlekken op de rug en oren.

Body afmetingen. Gewicht van de hond niet meer dan 9 kg, teven naar 8,1 kg. Schofthoogte tot 30 cm.

Nadelen. Lichte of kleine ogen. Lichte neus, vleeskleurig of grotendeels gevlekt in deze kleuren. Rechtopstaande oren, tulpvormig of naar achteren gevouwen. Overtollig zwart in de kleur van de vacht. De onderkaak is naar voren. Zachte of wollige vacht.